logo P. van Stingelande

De Draak (I)

2016-12-22

(Deel 123: Verraad)

Soms dient men te spelen met vuur. En toen collega Carlo ons aquarium verliet, wist ik dat de tijd rijp was om mijn vingers te branden.

Negentien jaar geleden benoemde het bestuur Carlo en mij tot beheerders van de nieuwe applicatie die het toen nog vol trots aankondigde als Hoofd-Monoliet-v1.0, de oplossing voor álle structurele problemen die onze organisatie kende.

Carlo en ik zouden samen oud worden, grapten we twee jaar later. Toen wisten we nog niet dat we eenentwintig jaar zouden bouwen aan dit monster van tweeënhalf miljoen regels code, geschreven in vijf verschillende programmeertalen en draaiend op twee kniehoge ‘micro-mainframes’ uit de jaren negentig. De Draak, zoals we de applicatie omdoopten op zijn zevende verjaardag, was zelfs voor ons nog lange tijd een doolhof zonder uitgang.

Uiteindelijk werden wij de enige twee die de Draak begrepen. Carlo en ik hadden dan ook een eigen kamer: het ‘aquarium’, geheel van glas en een unicum binnen het kantoor vol flexplekken. Terwijl om ons heen de organisatie draaide, wervelde, stormde soms, maar uiteindelijk altijd weer bedaarde, warmden wij onze handen boven de twee kniehoge mainframe-computers die op volle toeren draaiden. Carlo en ik zagen de drukte met lede ogen aan en bij te veel turbulentie draaiden we de luxaflex dicht. Uiteindelijk, als de knopen doorgehakt waren, pasten wij de Draak naar believen aan.

 

Nu warm ik in mijn eentje mijn handen boven de servers van de Draak. Eergisterenochtend nog stond Carlo naast mij, met zijn handen boven de andere helft van de Draak. Ik mis hem, de klootzak.

 

Eergistermíddag stond hij plots in de koffiecorner bij een roedel jongelingen die de koffieautomaat als hun territorium behandelden. Engerds waren het, met harde stemmen, schoppende benen en magere schouders. Ze droegen allemaal telefoons met grote schermen waar ze met hun duimen overheen veegden.

Carlo sprong, stootte en grinnikte met de roedel mee. Althans hij probeerde het, met zijn kromme beentjes en gebogen rug. Ik vroeg me af waar hij al die energie vandaan haalde. Zo had ik hem nog nooit gezien.

Slechts een keer keek hij om naar het aquarium. Hij stootte daarbij een lange wiebelaar met onrustig peenhaar aan, en fluisterde hem iets in het oor. Ik hield mijn adem in.

Terwijl de roedel lurkte en wiebelde, ijsbeerde ik heen en weer, tikte daarbij telkens de raamkozijnen van het aquarium aan met de neuzen van mijn schoenen. Dit kon ik niet over mijn kant laten gaan!

Ik rukte de deur open, liep naar de koffiecorner en zette daar een wit bekertje in de automaat.

‘Goeiemoggel’, zei ik, zoals ik elke ochtend tegen Carlo zei.

Hij groette terug en blies wat in zijn koffie. Zijn gewiebel stokte.

‘En hoe gaat het?’ vroeg ik.

‘Goed’, zei hij.

Ik blies ditmaal in mijn koffie.

Na een lange stilte zei de langste wiebelaar dat ze maar weer eens aan het werk moesten. Daarna marcheerde iedereen in een lange colonne de corner uit.

Ik had Carlo aan zijn haren terug willen slepen, maar in plaats daarvan dronk ik nog vijf koppen koffie, tot mijn handen zo trilden dat ik de rest van de dag niets anders kon dan dt-fouten halen uit de handleiding van de Draak.

Dat was eergisteren. Gisteren zat de lange wiebelaar met peentjeshaar plots op Carlo’s stoel. Zonder te kloppen was hij ’s ochtends zomaar naar binnen gebanjerd. Daar zat hij dan, als een orang-oetang met zijn armen zwaaiend naast zijn lichaam terwijl zijn hakken als de hoeven van een doldriest paard op de grond trappelden. Zwijgend staarde hij mij aan.

 

(Wat gebeurde er gisteren? Lees verder>)

[Terug]

Wekelijks een nieuwsbrief

Lijdt u aan weltschmerz? Heeft u last van doordeweekse gerstekorrels? Of wilt u simpelweg P.'s verhalen ontvangen in uw digitale postvakje? Schrijf u dan in voor de nieuwsbrief!

  • (NB: Mogelijk belandt de bevestigingsmail in uw spam-map.)